Mandolinegeschiedenis

De mandoline

De mandoline is een tokkelinstrument met een rijke geschiedenis (zie onder).  Deze pagina geeft een inleiding op de mandolinegeschiedenis. Over de rol van de mandoline in het Brasschaats Mandoline-Orkest lees je beter een andere pagina.

In het Brasschaats Mandoline-Orkest wordt de term gebruikt voor de klassieke Napolitaanse of Romeinse mandoline. Om een en ander op te helderen stellen we de meest voorkomende mandolinetypes voor en geven een inleidend overzicht van hun repertoire.

Belangrijkste mandolinetypes

Er bestaan tal van verschillende mandolinetypes. We geven hier een keuze uit de meest voorkomende types om de naamsverwarring en historische context te schetsen.

Gittern

Afbeelding met gittern uit de Cantigas de Santa Maria (afbeelding overgenomen uit Wikipedia)
Afbeelding met gittern uit de Cantigas de Santa Maria (bron: Wikipedia)

De gittern is een tokkelinstrument uit de late middeleeuwen en vroege renaissance. De naam is vaak wat verwarrend voor ons – maar heeft helemaal niets met de later ontwikkelde gitaar te maken.  (Interessant genoeg zou de gitaar deels afstammen van de gittern.)

Het instrument werd aanvankelijk uit één stuk hout gemaakt, met drie of vier snaren bespannen en met een plectrum bespeeld. Vermoedelijk werd het instrument ingevoerd door de Moorse invasie in Spanje en daarna verwesterd. De Moorse gittern zou een soort getokkelde rebec zijn (de oudste afbeeldingen lijken hierop te wijzen). De vroegste bronnen van de gittern dateren uit late 13e eeuw. Typerend is de sikkelvormige kop, die vaak versierd wordt op het uiteinde.

Gittern (detail uit Pere Serra, Maagd van de Engelen, circa 1480, altaarstuk, Museu Nacional d’Art de Catalunya – bron: earlymusicmuse.com)

De verwesterde versie van de gittern kreeg fretten en werd later ook korig besnaard. Ook zien we gaandeweg vier koren in plaats van drie. De gittern behoort tot de instrumenten gebruikt in de hoofse minnecultuur en was erg populair aan de West-Europese hoven in de 14e en begin 15e eeuw.  Er zijn erg veel vermeldingen in teksten uit de hoofse minnecultuur die het instrument vermelden. De gittern komt ook voor in allerlei afbeeldingen.

 

Gittern (Hans Oth, 1450, Nürnberg – bewaard in Wartburg – bron: Wikipedia)

Midden 15e eeuw neemt de luit de overhand en begint de gittern eigenschappen over te nemen (bv. klanklichaam uit ribben, vijfde en zesde koor worden toegevoegd). De gittern begint zoveel te lijken op de luit dat Tinctoris zegt dat het een kleine luit is. De meeste bewaarde instrumenten dateren uit deze periode, maar er zijn oudere afbeeldingen en één ouder bewaard instrument werd opgegraven in Elblag (Polen).

Er is geen repertoire bewaard specifiek voor de gittern. De gangbare theorie is dat de gittern de bovenpartij was in de tenorista-praktijk beschreven door Tinctoris. Daarbij wordt een vaste melodie in een lagere partij gespeeld en in een hogere partij (de gittern) wordt daarop geïmproviseerd.

Mandore

Mandore van Boissart (bewaard in Victoria & Albert Museum – bron: http://www.diabolus.org)

In de late renaissance en vroeg-barok ontwikkelde zich in Frankrijk een tokkelinstrument met de naam mandore. De weinige bronnen over de oorsprong leggen deze in de grensstreek tussen Frankrijk en Spanje. De eerste versies van de mandore doen erg denken aan de vroege vormen van de gittern: uit één stuk hout, met vier enkele snaren en met een plectrum betokkeld. Ook de sikkelvorm, toch vrij kenmerkend voor de gittern, komt voor. Daarnaast komt de stemming niet overeen met de andere tokkelinstrumenten maar komt deze wel overeen met de vermoedelijke stemming van de gittern. Hoewel er geen rechtstreeks bewijs is voor de band is het dus wel aannemelijk dat de mandore en gittern een gezamenlijke achtergrond hebben.

Het instrument komt vrij plots opzetten rond 1575 en geniet dan een 50-tal jaar enorme populariteit. Het verspreid zich ook buiten Frankrijk. Erg eigen aan de mandore is de stemming met kwinten en kwarten die niet bij andere tokkelinstrumenten uit deze periode voorkomt. De stemming van dit instrument is bij aanvang c’-g’-c”-g”. Er worden wel al gauw enkele varianten op voorzien (wat vaak voorkomt bij tokkelinstrumenten uit deze periode).

Hoewel de mandore bij aanvang vier-korig is en met plectrum wordt bespeeld, ontwikkelen zich al gauw allerlei varianten. Zo komen er onder meer een vijfde koor bij, en zijn er dieper gestemde varianten. Ook wordt het met de vingers bespeeld (maar dan meestal maar met één of twee vingers). Daarnaast wordt het klanklichaam gaandeweg ook uit ribben vervaardigd en de sikkelvormige kop wordt soms vervangen door een luitachtige kop. Net als bij de gittern ondergaat ook de mandore dus invloeden van luitbouw.

Het bewaarde repertoire is vooral hoofse dansmuziek. De  geïdentificeerde componisten voor de mandore zijn allemaal werkzaam aan het hof in Frankrijk. Het hoge aanzien van de mandore als instrument kan makkelijk worden vastgesteld. Zo wordt het instrument aanvaard in de Chambre, een koninklijke muziekinstelling (in tegenstelling tot de viool die pas veel later werd toegelaten).

Mandore uit Marin Mersenne, Harmonie Universelle, 1636 (bron: Wikipedia).

Milanese mandoline

Milanese mandoline (Anoniem, 17e eeuw, bron: Musée de la Musique)

De Milanese mandoline is de Italiaanse barokmandoline. Deze werd vermoedelijk ontwikkeld uit de Franse barokmandoline (mandore, zie boven). In historische bronnen heethet instrument aanvankelijk mandola (een alternatieve naam voor de mandore in Frankrijk was mandole). Pas later komt het verkleinwoord mandolino voor. Soms (maar zeker niet altijd) wordt hiermee het onderscheid gemaakt tussen de vierkorige kleinere mandolino en de vijf- of zes-korige grotere mandola. Later wordt de term mandolino dominant en verdwijnt de term mandola voor ongeveer een eeuw (tot de uitvinding van de huidige mandola).

Aanvankelijk bestaat de Italiaanse barokmandoline uit 4-korige exemplaren (e’-a’-d”-g”), later worden een vijfde en ultiem een zesde koor toegevoegd (g-h-e’-a’-d”-g”). Het instrument werd voornamelijk met de vingers bespeeld maar ook af en toe met plectrum. Een aantal vroege Italiaanse exemplaren tonen vrij goed de link naar de Franse mandore en doen denken aan de zogenaamde dansmeestersviolen.

Milanese mandoline (Kunsthistorisches Museum, Wenen – bron: lessingimages.com)

Vanaf de zeventiende eeuw vinden we specifiek repertoire voor dit instrument in manuscripten. Het merendeel is hoofse dansmuziek. Ook zijn er verschillende aanwijzingen dat de mandoline werd onderwezen in hoofse kringen. Het schilderij hieronder van circa 1750 illustreert dit mooi.

Pietro Longhi (Familieconcert, 1750-1755, bron: http://pinacotecabrera.org)

Daarnaast wordt het instrument vanaf het begin van de 18e eeuw regelmatig gebruikt in opera’s en cantates. Voorbeelden zijn Juditha triumphans van Antonio Vivaldi, A battaglia, pensieri van Alessandro Scarlatti en Alexander Balus van Georg Friedrich Händel. Andere componisten zijn Galuppi, Cocchi en Bononcini. Ook de veel latere mandolinearia uit Don Giovanni van Wolfgang Amadeus Mozart blijkt voor de Milanese te zijn geschreven. Mozart liet ook twee liederen na met mandolinebegeleiding (Komm, liebe Zither en Die Zufriedenheit).

Daarnaast vinden we ook meer en meer virtuozer repertoire, zowel in sonates als in echte mandolineconcerti. Tot de bekendste componisten behoren Antonio Vivaldi (concerto in C, dubbelconcerto), Domenico Scarlatti (verschillende sonates) en Christoforo Signorelli (sonates). Naarmate we de tweede helft van de 18e eeuw naderen, wordt het wel moeilijker om het repertoire van de Napolitaanse en Milanese mandoline te onderscheiden. Verschillende bronnen wijzen er ook op dat er repertoire tussen beide types werd uitgewisseld. Fijn detail over de Milanese mandoline zijn bewaarde bouwplannen en twee bewaarde instrumenten van Antonius Stradivarius.

Milanese mandoline (Antonius Stradivarius, 1680, National Music Museum Vermillion – bron: Wikipedia)

Naar het einde van de 18e eeuw toe begint het instrument zich aan te passen aan de veranderende concertomstandigheden. Zo vinden we gaandeweg de aanzet naar de Lombardische mandoline (bv. enkele in plaats van korige besnaring).

Milanese mandoline (Anoniem, eind 18e eeuw, overgang naar Lombardische mandoline, Germanisches Nationalmuseum GNM:660181 – bron: mimo-db.eu)

Lombardische mandoline

Lombardian mandolin (Monzino, laat 19e eeuw – bron: mandolinluthier.com)

De Lombardische mandoline is een type dat zich heeft ontwikkeld uit de Milanese mandoline. In plaats van de kamermuziek van de late barok komen mandolines nu immers meer in concertzalen terecht. Ook moet de Milanese mandoline concurreren met de Napolitaanse. Vandaar dat er wordt overgestapt op enkele besnaring in plaats van korig. Soms (maar dat is vrij zeldzaam) gebruikt men metalen snaren.  Het klanklichaam is ook vrij groot, vergelijkbaar met de grootste types Milanese mandolines. Verder wordt de toets verhoogd. Al deze ingrepen helpen om het volume van het instrument te verhogen en een klank te produceren die beter past bij de nieuwe omstandigheden. Vooral de bouwersfamilie Monzino schijnt te zijn betrokken geweest in de ontwikkeling en bouw van dergelijke instrumenten (hoewel ook andere bouwers erg actief waren).

Bij het repertoire voor de Lombardische mandoline kunnen we alvast met zekerheid wijzen op de stukken van Giovanni Hoffmann in Wenen. Verder blijkt de mandoline van Beethoven van dit type, wat de vraag doet rijzen of zijn stukken voor mandoline niet voor dit type zouden zijn. De bewaarde stukken van Beethoven zijn de sonatine in C, het adagio in Es en het andante con variazioni. Dat laatste is één van meerdere voorbeelden van variatiereeksen voor mandoline.

Genuese mandoline

Genuese mandoline (Anoniem, vroeg 18e eeuw, Musée de la Musique E 1562 – bron: http://collectionsdumusee.philharmoniedeparis.fr)

De Genuese mandoline is een type dat enorm gelijkt op de Milanese mandoline. De voornaamste verschillen zitten in de stemming, speelwijze en bouw. De stemming lijkt op die van de luit (g-c’-f’-b’-d”-g”). Het werd uitsluitend met plectrum bespeeld en daartoe wordt een beschermplaat aangebracht in het bovenblad. Verder is erg typerend dat de kop wordt uitgevoerd zoals bij een gitaar.

Er is weinig bekend over het instrument maar er zijn voldoende aanwijzingen dat het tijdens de 18e eeuw een rol speelde. Ook zijn er enkele bewaarde instrumenten. Er wordt vermoed dat ook dit type af en toe gebruikt werd in opera’s en cantates, maar er zijn weinig concrete bewijzen. Verder zijn er ook maar zeer beperkte schriftelijke en muzikale bronnen die rechtstreeks met dit type kunnen worden geassocieerd.

Napolitaanse mandoline

Napolitaanse mandoline (Anoniem, midden 18e eeuw, MiM nr. 0528 – bron: carmentis.be)

De Napolitaanse mandoline ontstond midden 18e eeuw. Deze mandoline heeft 4 metalen koren (2 snaren per toonhoogte dus 8 snaren). De stemming is dezelfde als bij de viool (g-d’-a’-e”). De klankkast is bolvormig en bestaat uit ribben. Vernieuwend ten opzicht van de oudere mandolinetypes is het geknikte bovenblad en de verschuifbare kam. Deze ingrepen waren nodig omdat er metalen snaren worden gebruikt met een veel hogere spanning dan de darmsnaren van de Milanese mandoline. Vermoedelijk ontstond het instrument in Napels rond 1740. Vrij snel werd het verspreid over Europa. Hoewel het een dominant werd, blijven andere types zoals de Lombardische mandoline ook in gebruik.

Eén van de mogelijke verklaringen voor de snelle verspreiding van het instrument is de invloed van Napels inzake de nieuwe klassieke stijl en ook inzake vocale muziek. Italiaanse of in Italië opgeleide componisten oefenden in allerlei muziekcentra hun invloed uit en het is waarschijnlijk in de schaduw hiervan dat de mandoline zo succesvol kon worden.

Eén van de centra waar de mandoline onmiddellijk ingang vond is Frankrijk, met aanvankelijk Lyons maar later vooral Parijs. Daar lijkt een link te bestaan met de Comédie Italienne – verschillende van de vocale bundels mandolinemuziek baseren zich op repertoire van deze instelling. Bij de voornaamste componisten vinden we Giovanni Battista Gervasio, Gabriele Leone en Pietro Denis.

Hoewel wij vandaag de dag de focus leggen op instrumentale muziek was dat in de 18e eeuw zeker niet het geval. Dat merk je duidelijk aan de uitgegeven muziek: er werden heel veel bundels vocale muziek met mandolinebegeleiding of vocale muziek in een instrumentale versie voor mandoline gepubliceerd. Vooral Pietro Denis heeft verschillende dergelijke bundels gepubliceerd. Deze worden zelden uitgevoerd maar hier en daar duiken tegenwoordig fragmenten op zoals de Air de Julie van Denis of de Air de Serrurier van Denis.

Daarnaast wordt de mandoline vaak voorgeschreven in opera-aria’s. Enkele daarvan kunnen zonder twijfel worden toegewezen aan andere mandolinetypes (vooral Milanese en Genuese mandoline lijken in trek, bv. Milanese bij Mozart in Don Giovanni). Bij een aantal andere aria’s is het eerder waarschijnlijk dat de Napolitaanse mandoline werd bedoeld. Een voorbeeld is de aria Saper Bramate uit de Baribiere di Siviglia van de Napolitaanse componist Giovanni Paisiello.

Bij de instrumentale muziek vinden we vooral veel sonates en duetten. Deze komen in allerlei versies voor. Enkele zijn zeer eenvoudig (voor amateurs) maar sommige richten zich tot muzikanten met de nodige vaardigheden. Vooral de sonates van Leone kunnen hier gelden als een voorbeeld, bijvoorbeeld sonate 2.

In de tweede helft van de achttiende eeuw treffen we ook enkele interessante concerto’s aan. De componisten zijn eerder onbekend, op een uitzondering na. Het gaat onder meer om om Cecere, Conforto, Eterardi, Giuliano en Lecce.

De achttiende-eeuwse Napolitaanse mandoline is vrij klein. Er is nog geen verhoogde toets. In tegenstelling tot de andere mandolinetypes is er een open klankgat en dus geen rozet. Bekende bouwers zijn Vinaccia en Fabriccatore. Net als bij de andere mandolinetypes worden de Napolitaanse mandolines soms erg versierd, met inlegwerk van hout, ivoor, parelmoer, schildpad en andere materialen. Veel instrumenten werden immers gebouwd voor de adel en zijn ook een uiting van status.

Napolitaanse mandoline (Antonio Vinaccia, 1772, inleg met ivoor, parelmoer, schildpad en zilver, Victoria and Albert Museum 10-1894 - bron: http://collections.vam.ac.uk)
Napolitaanse mandoline (Antonio Vinaccia, 1772, inleg met ivoor, parelmoer, schildpad en zilver, Victoria and Albert Museum 10-1894 – bron: http://collections.vam.ac.uk)

Eind 18e eeuw en begin 19e eeuw is er een terugval, zoals voor veel tokkelinstrumenten. Toch blijft het instrument actief aanwezig op de concertpodia. Bartolomeo Bortolazzi is een virtuoos die heel Europa rondreist.  Pietro Vimercati is een andere uitzonderlijke muzikant die begin 19e eeuw nog rondreist als mandolinevirtuoos. Vanaf circa 1820 blijft het instrument vooral voortleven als volksinstrument in Italië.

In de 19e eeuw werden allerlei aanpassingen uitgevoerd op de Napolitaanse mandoline. Het klanklichaam wordt wat groter en er komt een verhoogde toets. Ook de snaarspanning neemt toe en bijgevolg moet de bouw de hogere spanning ook weerstaan.

Napolitaanse Mandoline (Raffaele Calace, 1906, Musée de la Musique E2500.25.3 – bron: mimo-db.eu)

Een bekende bouwer is Raffaele Calace, die prima instrument bouwde. Een andere bouwersfamilie die quasi vanaf het ontstaan tot begin 20e eeuw actief was is de familie Vinaccia.

Eind 19e eeuw komt er een enorme opleving. Tijdens de Parijse wereldtentoonstelling in 1878 is een groepje Spaanse studenten actief als muzikanten. Hoewel deze groep vooral gitaren en bandurria’s gebruikte weten de Italiaanse emigranten de interesse in tokkelinstrumenten makkelijk richting de mandoline te kanaliseren. Door de grote populariteit en de eigentijdse ontwikkeling van muziekverenigingen ontstaan de eerste mandolineorkesten over de hele wereld. (In Italië bestonden al iets eerder ensembles van hoofdzakelijk Lombardische en/of Napolitaanse mandolines.) Ook beginnen er enkele virtuozen het instrument actief te promoten op de concertpodia, zoals Raffaele Calace.

In de late 19e eeuw wordt het instrument meer en meer in ensembles gebruikt en stijgt de nood aan andere, dieper gestemde varianten van de mandoline. De mandola, mandocello en mandobas worden aanvankelijk voorzien om de diepere stemmen in mandoline-ensembles te spelen. Later worden deze rollen overgenomen door gitaar, cello en contrabas. De mandola bleef wel behouden als instrument in mandoline-orkesten. Zo komen we toe aan de geboorte van de eerste echte mandolineorkesten.

Na de initiële opleving eind 19e eeuw en begin 20e eeuw valt de populariteit terug na de Eerste Wereldoorlog. Toch blijft het instrument populair zodat zowel verschillende componisten het instrument gebruiken (Baumann, Ligeti, Schönberg, Stravinsky, Prokofiev, Webern). Ondertussen had het instrument naast zijn klassieke achtergrond ook in andere genres vaste voet aan de grond (zie bluegrassmandoline & folkmandoline).

Uit deze periode 1880-1950 dateren veel bewaarde instrumenten. Sommige hiervan zijn in prima staat, maar veel instrumenten verkeren in dramatische omstandigheden (onspeelbaar zonder zware renovatie die vaak meer kost dan het instrument in ideale omstandigheden kan opbrengen). Zowel de staat van de instrumenten als de bouwer bepalen de waarde, bij geval van twijfel kan je ons contacteren of een luthier (zie contact of links). Occasioneel worden er mandolines teruggevonden die waardevol zijn, al dan niet voor verzamelaars en/of muzikanten.

In de tweede helft van de 20e eeuw zoeken verschillende Duitse bouwers naar nieuwe manieren om de mandoline te verbeteren. Onbetwistbaar van enorme invloed was Reinhold Seiffert. Zijn principes zijn door vele Duitse bouwers van Napolitaanse mandolines overgenomen als basis voor hun eigen bouwstijl. De mandolines van Seiffert en navolgers hebben doorgaans een veel groter bovenblad en een bredere toets. In het Brasschaats Mandoline-Orkest spelen verschillende leden op mandolines en mandola’s van Seiffert of zijn navolgers.

Joe Van Dunnegem, concertmeester BMO
Joe Van Dunnegem, concertmeester Brasschaats Mandoline-Orkest op een mandoline van Reinhold Seiffert

 Romeinse mandoline

De Romeinse mandoline ontstond eind 19e eeuw en is een verdere ontwikkeling van de Napolitaanse mandoline. Verschillen ten opzichte van het Napolitaanse type zijn de assymetrische bouw en de smalle V-hals. De snaarspanning van deze instrumenten is meestal lager dan deze van de nieuwere mandolines. Een belangrijke bouwer van Romeinse mandolines is Luigi Embergher, wiens atelier geroemd wordt om zijn uitstekende kwaliteitsmandolines. In het Brasschaats Mandoline-Orkest spelen een aantal leden op mandolines en mandola’s van Embergher.

Siciliaanse mandoline of mandriola

De Siciliaanse mandoline is essentieel erg gelijkend op een gewone Napolitaanse mandoline. Wel is er hier sprake van meer snaren per koor: drie of vier. Door de toename van het aantal snaren is de hals breder. Door deze vele snaren wordt een tremolo makkelijker en het volume vergroot. Ook wordt vaak één van de drie snaren een octaaf dieper gestemd. Het instrument kwam voornamelijk voor in het begin van de 20e eeuw.

Siciliaanse mandoline (bron: Wikipedia)

Bluegrass- of folkmandoline

Met de toegenomen populariteit van de mandoline vanaf 1880, kwam bouwer Orville Gibson op het idee om principes van vioolbouw toe te passen op de mandoline. De bluegrassmandoline heeft dus geen bolvormige klankkast met ribben en een geknikt bovenblad maar een gewelfd uitgehouwen onder & bovenblad.

Traditioneel zijn er twee types. Het A-type onderscheid zich door een druppelvormige klankkast en oorspronkelijk nog steeds een ovalen of cirkelvormig klankgat.

Gibson A2 (bron: mandolinecafe.com)

Type F (F=Florentine model) heeft f-gaten en een krul op het einde van het bovenblad. Tegenwoordig kom je zeer vaak mandolines tegen van deze types, vooral in folk of andere lichte muziek. De klank is ietwat scherper en droger dan een klassieke mandoline door het andere klanklichaam.

Gibson F (bron: mandolincafe.com)

Platte mandoline

Volgend op het succes van de bluegrassmandoline zijn er ook een aantal bouwers die het productieproces vereenvoudigden door vlakke boven- en onderbladen begonnen te gebruiken. Daarvoor moeten de bladen uiteraard wel zwaar versterkt worden met bebalking (soms X-bracing, soms gewaaierd, zoals bij gitaren). De klank van deze instrument is doorgaans iets minder scherp dan van bluegrass mandolines. Vandaar dat deze types wat vaker voorkomen bij Ierse, Keltische en Braziliaanse volksmuziek.

Keltische mandoline (bron: http://www.sagamusic.com)

Elektrische mandoline

Door de alomtegenwoordige populariteit van de elektrische gitaar vermoeden vele mensen dat de elektrische mandoline later werd ontwikkeld op basis van de elektrische gitaar. Dat klopt echter niet helemaal. Toen de elektrische gitaar voor het eerst werd ontwikkeld, was de mandoline voor deze bouwers immers een bijna even belangrijk instrument. Met dit in gedachten verbaast het minder dat er al vanaf 1920 elektrische mandolines werden geproduceerd door verschillende Amerikaanse bouwers zoals Gibson, Vega en Rickenbacker.

Het voordeel van elektrische mandoline is natuurlijk net als bij een elektrische gitaar dat de toon lang kan worden aangehouden en al dan niet elektrisch vervormd. Het is niet ongewoon voor elektrische mandolines om met enkele snaren te worden bespannen, dit vergemakkelijkt enkele technieken zoals ‘bending’.

Elektrische mandoline (Rickenbacker, bron: mandomutt.com)

Cremonese of Bresciaanse mandoline

De Cremonese mandoline staat ook bekend onder de naam Bresciaanse mandoline. Ze wordt met enkele snaren bespannen en vaak uit darm of zijde. Qua klanklichaam heeft het ook wat enkele kenmerken gemeen met de oudere Milanese mandoline. De bekende virtuoos en componist Bartolomeo Bortolazzi bespeelde dit type en prefereerde het boven de Napolitaanse mandoline.

Cremonese mandoline (Giuseppe Tovia, ca. 1800, Germanisches Nationalmuseum MIR871 – bron: http://objektkatalog.gnm.de)

Mandolinebanjo of banjoline

Begin 20e eeuw waren de mandolinebanjo of banjoline een tijdlang populair. Deze instrumenten werden gebouwd van eind 19e eeuw tot circa 1970, en worden regelmatig aangetroffen op tweehands sites. De meeste instrumenten zijn niet goed afgewerkt, daarnaast is er weinig vraag naar en is de waarde erg gering. Occasioneel komen er mandolinebanjo’s op de markt van bekendere merken of bouwers met enige naam.

Mandolinebanjo (Vega, 1920 – bron: Wikipedai)